Het Mystieke Kruis – het symbool van het ECC

Afdrukken PDF

 

Het Mystieke Kruis is een verbinding van het zogenaamde Calvariekruis - met de verticale arm langer dan de horizontale - en het gelijkarmige kruis. In het centrum van het kruis bevindt zich een boek, dat met zeven zegels verzegeld is, waarop een lam ligt, omgeven door een stralenkrans. Op de onderste arm van het kruis staat het Oudgriekse monogram PX afgebeeld; op de linker arm de Griekse letter Alfa (Α) en op de rechter de Griekse letter Omega (Ω). Op de bovenste arm van het kruis is een roos afgebeeld. Het uiteinde van elk van de vier armen van het kruis is in drieën verdeeld. Het symbool dient op twee niveaus geïnterpreteerd te worden - dat van de traditionele symboliek en dat van de metafysica, de spirituele filosofie.

De traditionele symboliek

Het kruis beeldt niet dat lijdenssymbool uit, waarmee het in het christendom traditioneel geassocieerd wordt, maar de troon van de overwinning van waaruit de gestalte van de opgestane Christus regeert. De zegevierende gestalte, Christus de Koning, is van een veel oudere oorsprong dan het kruisbeeld en het is díe welke in de eerste jaren van de kerk gebruikt is. Het symboliseert, dat de Christus, nadat hij de dood overwonnen had, de materiële wereld niet verlaat, maar daarover heerst, op deze wijze zijn schepping voltooiend.

Het Kruis is de troon waarnaar de mens tracht op te stijgen, zodat hij - zijn meester volgend - meesterschap over zichzelf en de wereld zou kunnen verkrijgen.
Het kruis verbeeldt ook de kruising van de tijd en de eeuwigheid, ruimte en oneindigheid. De mens - schepsel van beide dimensies - is symbolisch gekruisigd totdat hij zichzelf doet opstaan en hierdoor het ‘eeuwige leven’ hier en nu vindt; hij probeert deze wereld niet te ontvluchten, maar door de vervolmaking van zichzelf, deze wereld te transformeren.
Het kruis is niet een statisch symbool - het duidt het voortdurend stromen van leven, beweging en energie aan, net zoals de armen van het kruis naar buiten uitstralen.

Het Lam verbeeldt op zinnebeeldige wijze zuiverheid, onschuld en nederigheid, de eigenschappen van iemand die zichzelf prijsgeeft in onzelfzuchtige opoffering. Het verbeeldt Christus, de Zoon van God, die zichzelf geeft voor het leven van de wereld en die juist door zijn nederigheid en onschuld Koning is waar aardse macht en kracht tekort schieten.

Het Boek symboliseert kennis, in wezen de kennis die verborgen is. Het boek is verzegeld en alleen hij die waardig is kan het ontzegelen en lezen wat er in geschreven staat. De zegels zelf staan voor de deugden of vermogens, die verworven moeten worden om een dergelijke waardigheid te bereiken en omgekeerd, de fouten of onvolkomenheden die overwonnen moeten worden.


Het monogram PX (de Griekse letters rho – chi) symboliseert niet alleen ‘Christus de Koning’ (Christus Rex) maar ook het ‘Koninkrijk van Christus’ dat bestaat, gedragen binnenin de individuele christen en ook binnen de gemeenschap van de gelovigen, de gemeenschap van Christus.

Alfa en Omega - de eerste en laatste letters van het alfabet - vertegenwoordigen het begin en het einde van alle dingen, het zaad geplant in het begin, en de uiteindelijke oogst van vervulling. Christus, de Zoon van God, is zowel het begin als het einde, en in hem zijn alle dingen vervuld.


De Roos is een symbool van vervulling, van uiterste prestatie en perfectie. Haar schoonheid, geur en geleidelijke opengaan verbeelden de eigenschappen van het spiritueel leven. De roos symboliseert ook Christus, de Roos van Sharon. Zo is het samengestelde symbool van zeer oude christelijke oorsprong, in essentie afkomstig van de Openbaring waarin Johannes verslag doet van zijn visioen van het Nieuwe Jeruzalem.

De metafysische symboliek

Op metafysische wijze wordt het symbool geïnterpreteerd zowel als een aantal afzonderlijke symbolen als wel als één symbolisch geheel. Het kruis verbeeldt de gehele persoonlijkheid van de mens als een menselijk wezen, in een bepaalde betekenis begrensd binnen de dimensies van tijd en ruimte - de vier armen van het kruis - maar in een diepere zin meer als een zaad geplant in deze dimensies, naar buiten groeiend, net zoals de vier armen vanuit het centrale punt bewegen. De driedeling aan het eind van iedere arm van het kruis verbeeldt de drieledigheid van de mens in zijn huidige bestaan (lichaam, ziel, geest) dat hij probeert te vervolmaken en waardoor de goddelijke drie-eenheid zich in hem manifesteert. De twaalfdeling gezamenlijk - drie aan het eind van ieder van de vier armen van het kruis - vertegenwoordigt de twaalf eigenschappen van de menselijke natuur, in het nieuwe testament gesymboliseerd door de twaalf apostelen, in het oude testament door de twaalf stammen van Israël en in ‘Openbaringen’ door de twaalf poorten van Jeruzalem.

Uitsluitend door een evenwichtige ontwikkeling van de lagere drieledigheid - d.w.z. de drievoudige aard van zijn huidige wezen - kan de mens zijn goddelijke oorsprongen in de eeuwige Drie-eenheid tot uitdrukking brengen. En - op gelijke wijze - slechts door de ontwikkeling, beheersing en het gebruik van de twaalf aspecten van zijn natuur kan de mens een waarlijk harmonisch, scheppend wezen worden. De volmaakte geometrie in deze symboliek herinnert de mens aan zijn uiteindelijk doel als de volmaakte uitdrukking van zijn Schepper. Maar dit vereist een omvorming van zijn huidig gespleten en onevenwichtig leven en zijn verwarde energieën; de mens moet de fundamenten van het Nieuwe Jeruzalem in hemzelf leggen, opnieuw zijn eigen wezen opbouwend, op dezelfde wijze als een architect de structuur van een gebouw ontwerpt en een aannemer dat ontwerp tot werkelijkheid maakt.

Het monogram PX aan de basis van het kruis symboliseert Christus de Koning en het Koninkrijk van Christus. Het staat aan de basis van het kruis, omdat het het begin vertegenwoordigt - de eerste stap van de mens op het pad naar zelftransformatie. Slechts wanneer het individu zich bewust wordt van de kracht van Christus’ Koninkrijk, kan hij beginnen zichzelf opnieuw te doen ‘opstaan’. Hij herkent de kracht van Christus binnen in zich en ziet zichzelf niet langer meer als een geïsoleerd, op zichzelf gericht schepsel, gevangen in tijd en ruimte, maar als de erfgenaam van het eeuwige leven.
Hij aanvaardt Christus als zijn Koning, volstrekt niet als zou hij zijn verantwoordelijkheid aan iemand anders overdragen, maar in de erkenning van die goddelijke Heer wiens gelijkheid hij probeert te bereiken. Alleen de mens die zichzelf overgegeven heeft aan Christus - die zijn oude wezen heeft verlaten aan de voet van het kruis - kan een ‘nieuw mens’ in Christus worden, en beginnen aan zijn zelfoverstijgende reis, langs het kruis omhoog.

Het Verzegelde Boek is het lichaam, symbolisch met zeven zegels verzegeld, die de potentiële vermogens van de mens verbeelden, die tot nu toe nog latent en niet verwezenlijkt zijn. De occulte filosofie spreekt daarvan als de zeven spirituele centra (chakra’s) en heeft hen verbonden met de klieren van het endocriene systeem. Alleen door zijn totale natuur te begrijpen - fysiek, emotioneel, intellectueel en spiritueel - kan de mens hopen het ‘boek’ van zijn lichaam te openen en alle mogelijkheden daarvan te benutten. Dit boek bevindt zich in het centrum van het kruis, hetgeen aangeeft, dat dit op een ordelijke en evenwichtige wijze dient te gebeuren, met achterlating van het oude zelf aan de voet van het kruis; de ontwikkeling van welke vermogens ook voor zelfzuchtige doeleinden kan slechts leiden tot vernietiging en desintegratie.

Het Lam vertegenwoordigt die goddelijkheid die in het hart van de mens aanwezig is, het beeld en de gelijkenis van God binnen in hem, die 'gekruisigd' is in het aardse bestaan van de mens. De Christus in de mens is ook de behoeder van de zeven zegels, die - indien geopend om uitdrukking te geven aan de innerlijke goddelijkheid - leidt tot een creatief leven en liefde.
Alleen wanneer de zegels verbroken zijn en het boek geopend, kan de mens zijn ware natuur ‘lezen’ en de betekenis van het leven begrijpen, en zijn plaats binnen de geschapen orde.

Alfa en Omega, op de horizontale armen van het kruis, vertegenwoordigen zowel de beperkingen van tijd en ruimte waarbinnen de mens tot aanzien gebracht is, als ook de dimensie van de eeuwigheid waarbinnen hij kan leven als een nieuw wezen in Christus. Opnieuw evenwel ligt de nadruk op orde en evenwicht - de mens, in het centrum van het kruis in evenwicht gehouden door alfa en omega, het begin en het einde van zijn leven, bezit niet alleen kennis van zijn eigen natuur en de aard van de wereld, maar beheersing over zichzelf en zijn bestemming. De horizontale balk van het kruis, die de dimensie van tijd en ruimte vertegenwoordigt, symboliseert dat de mens heerschappij moet verwerven over de wereld waarin hij nu leeft.
De alfa en de omega zijn niet eenvoudig de eerste en laatste letters van het Griekse alfabet, maar ook de eerste en de laatste van de zeven klinkers in dat alfabet. Elk van deze klinkers is in de occulte symboliek verbonden met één van de zeven zegels of één van de zeven ‘spirituele centra’, en zodra de mens de zeven zegels ontsloten heeft, heeft hij volledige beheersing over zijn wezen; hij leeft in de wereld van tijd en ruimte (de horizontale balk) maar toch niet daardoor beperkt en ook bestaat hij in de dimensie van de eeuwigheid (de verticale balk).

De Roos vertegenwoordigt de ontplooide, vervolmaakte mens, en is het natuurlijk resultaat van de beweging van de PX (erkenning van de Christus) door het verzegelde boek (kennis van zijn natuur), waarin de in de mens verborgen goddelijkheid wordt geopenbaard, net zoals een roos zich opent, zijn verborgen schoonheid onthullend. De roos is altijd een symbool van spirituele schoonheid geweest, en bovenaan het kruis verkondigt het, dat Christus in de mens geboren zal worden, niet in een verre laatste dag, maar hier, nu, in de mannen en vrouwen die zichzelf beschikbaar stellen als wezens door wie zijn leven en liefde mag stromen. Het symbool van het kruis vormt een plan van zelftransformatie voor de ontwikkeling van de mens in al zijn aspecten. Om de wereld te vervolmaken moet de mens eerst zichzelf vervolmaken. Deze transformatie van het zelf is niet op het zelf gericht, maar is zelf-overstijgend.